Een zomer lang Job

Bestaat er echte liefde bij mensen? Of houden we alleen maar van God (en van elkaar, denk ik erbij) omdat we daar voordeel van hebben? In het boek Job zegt de duivel het laatste. Maar God gelooft dat er meer is, ook bij mensen. Maar dat kan hij natuurlijk niet in zijn eentje bewijzen. Daar heeft hij een mens voor nodig: Job.

 

En van Job krijgt God gelijk. Job laat God niet los als hij in de ellende wordt gestort. Integendeel: hij blijft roepen en schreeuwen, dat dit niet kan, dat hij God zo niet kent – en zo komt hij opnieuw God tegen.

Tien dinsdagmiddagen hebben we ons verbaasd, hoe Job tekeer durft te gaan. Hij vervloekt de dag van zijn geboorte – vervloek je dan eigenlijk niet ook je Schepper? Dus waarschuwen Jobs vrienden hem: kijk uit dat je niet God ook nog kwijt raakt, hou je koest en geef toe dat alle mensen, ook jij, fouten maken.

Maar omdat we al wisten dat aan het einde God kiest voor Job, keken we heel kritisch naar die wijze woorden van de vrienden. En begrepen we langzamerhand, dat Job misschien wel gelijk heeft als hij, vrij vertaald, tegen ze zegt: “Als jullie echt in God geloofden, ging je wel aan mijn kant staan.” (Job 6,14). Want deze God, die ook de onze is, die laat zijn mensen niet vallen. En God verdedigen tegenover mensen – dat betekent pijnlijk snel, dat je die mensen afvalt. En dan gaat het mis.

Het omgekeerde: God laten vallen om aan mensen vast te houden, werkt trouwens ook niet, zegt God. “Wou jij mij schuldig verklaren om zelf vrij uit te gaan?”, vraagt God aan Job (40,8). Zachtzinnig is het allemaal niet, wat Job en God tegen elkaar zeggen. Maar elkaar los laten – geen sprake van. “Nu hebben mijn ogen u gezien”, zegt Job aan het eind. ‘Tough love’, zei een van ons, heftige liefde.

Er waren meer onverwachte punten van herkenning. ‘Job is niet in de rouw, hij is depressief’, zei ineens iemand – zo had ik het nog nooit bekeken. Dat Job liever dood wilde dan verder leven, herkenden een paar mensen trouwens ook. En ze durfden dat te zeggen.

Jezelf niet hoeven verstoppen, niet voor God en ook niet voor elkaar, en zo met elkaar verder komen, dat is misschien wel de grootste zegen van deze kring geweest. Ik heb er van genoten. En ik was de enige niet.