Helden

Op een koude stille zaterdag kook ik graag risotto. Ik snipper een uitje, snijd een beetje knoflook en een zooitje paddenstoelen. Ik schuif de risotto in de pan - even laten glanzen, een restje witte wijn en dan begint het grote roeren. Soulfood. Soulfood is het type maaltijd dat vraagt om tijd en aandacht. Maar je krijgt er veel voor terug – troost, warmte, gezelschap en inspiratie.

Mijn held is op dit moment de schrijfster Marilynne Robinson. Haar boeken zijn mijn soulfood geworden in het afgelopen jaar. Geen hapklare brokken literair vermaak, maar trage verhalen die mijn ziel raken. Ze vragen om tijd en aandacht, soms meer dan ik heb. Maar de verhalen raken aan iets wat zich in mij beweegt. De personages uit de boeken van Robinson vertellen wat ik al vermoedde over God, maar in hun verhaal krijgt het een vorm waarin ik het beter begrijp.

Onder de duizenden fans van haar werk schaart zich president Obama. Hij regelde een persoonlijk en mooi interview met haar, waarin hij zegt: ‘The most important stuff I’ve learned I think I’ve learned from novels. It has to do with empathy. It has to do with being comfortable with the notion that the world is complicated and full of grays, but there’s still truth there to be found, and that you have to strive for that and work for that’ (vrij vertaald: ‘De meest belangrijke dingen die ik heb geleerd, heb ik geleerd uit verhalen. Het heeft te maken met empathie. Het heeft te maken met de geruststellende wetenschap dat de wereld weliswaar gecompliceerd is en vol grijstinten zit, maar dat er nog altijd een waarheid te vinden is, en dat je je ervoor moet inspannen en ervoor moet werken.’)

Ik had het niet beter kunnen zeggen. De verhalen van Robinson beginnen in een fictief dorp in Iowa. John Ames, de oude dominee, schijft een brief aan zijn jonge zoon uit zijn tweede huwelijk. Hij wil zijn zoon zijn levensverhaal vertellen, maar daar is hij nu nog te jong voor. En John is te oud om te kunnen wachten tot de zoon volwassen is. John Ames is een overtuigd christen, maar dat betekent nog niet dat het makkelijk voor hem is. Hij zoekt naar hoe zijn geloof licht werpt op zijn eigen rommelige familiegeschiedenis. Hij zoekt hoe en waar God raakt aan de verhalen van alle mensen met wie hij verbonden is.

Robinson, die zich zeer heeft verdiept in het protestantisme, heeft een zeldzaam talent. Het is het talent waar ik als predikant op hoop en in ieder geval hard voor werk. Robinson heeft het talent van het woord. In een interview met de BBC vertelt Robinson over de behoefte van de mens om zichzelf uit te drukken in taal. Het is de behoefte om iets te onthullen van wat er in ons omgaat. Dit onthullen heeft natuurlijk ook een theologische kant. Het is immers in woorden dat God van zichzelf laat horen. In de Amsterdamse context waar ik werk begrijpen mensen niet meteen wat ik bedoel als het heb over dat Woord met een hoofdletter. En juist in die puzzel rond de (on)verstaanbaarheid van het christelijk geloof werd Robinson mijn held.

In de verhalen die zij schrijft, krijgen woorden als genade, verzoening, twijfel en aanvaarding een centrale plek. Niet als idee. Maar in personages die leven van genade, hopen op verzoening en overvallen worden door twijfel. Ze zijn zo menselijk en herkenbaar, ze lijken op alle mensen met wie ik verbonden ben. Die praten niet zo makkelijk over zoiets als genade, maar uit hun levensverhaal blijkt hoe ze ernaar zoeken. De romans van Marilynne Robinson zijn de beste preken die ik in jaren heb gehoord. Dus ik zou zeggen: neem de tijd voor wat soulfood. Schenk een goed glas wijn in en stap in de wereld van dominee John Ames en iedereen met wie hij verbonden is. Ik ben ondertussen één van hen.

Een nieuw seizoen

Een van de belangrijkste beslissingen op weg naar de brugklas is de aanschaf van de juiste agenda. Ik kan me in ieder geval herinneren dat ik uren in de V&D doorbracht, twijfelend over welke agenda ik zou kopen. Er moest genoeg ruimte zijn om er – naast je huiswerk – van alles in te kunnen schrijven: verliefdheden, roddels, tekeningen, teksten over leraren. 

In de loop der jaren werd het steeds minder belangrijk. Maar zo’n maagdelijk lege agenda roept bij mij nog steeds een prettige spanning op. Er gaat van alles gebeuren, maar je weet nog niet precies wat en hoe. Het leven als een lege bladzijde waar alle ruimte is voor nieuwe herinneringen.

Dat septembergevoel, die prettige spanning, kan trouwens makkelijk omslaan in stress. Niks prettigs meer aan. Het beklemmende gevoel dat je te weinig tijd hebt voor alles wat je wil doen. Je agenda wordt je vijand in plaats van je vriend als er nergens lege vakjes zijn. De nieuwsgierige verwachting slaat dan om in stress. Er moet van alles. Geen tijd om een beetje aan te klooien in de marge van de agenda.

In de Elthetokerk heb ik de afgelopen tijd vaak gevoeld hoe makkelijk het gevoel van vrolijke verwachting verstoord kan raken door ‘alles wat moet’. Ik hoop dat mensen in de kerk verrast worden door bijzondere ontmoetingen met God en met elkaar, maar het gevoel dat er allerlei taken (en verwachtingen) liggen drukt vaak op ons. Voor je het weet is de kerk en/of het wonen in een leefgemeenschap een bron van stress in plaats van een bron van inspiratie. Ik kan me van de afgelopen vier jaar geen kernraadsvergadering herinneren waar de vacatures, het beheer van het gebouw of de geldzorgen geen punt van zorg of aandacht waren. Om maar iets te noemen.

Tegelijkertijd weten steeds meer mensen onze kerk te vinden als een huis van God in de Indische Buurt. Mensen voelen zich welkom bij de Buurthulp en bij Re-play, bij de buurtmaaltijd, het avondgebed en op zondag. De kerk is geworden wat we hopen. Een vrolijke instuif vol verrassende ontmoetingen tussen een vluchteling en een oude schipper. Een plek voor een alleenstaande jonge moeder om op verhaal te komen en haar verhaal te doen.

Stoppen met allerlei activiteiten om ons te bezinnen (op de overbelasting die sommigen van ons voelen) lijkt daarom geen optie. Wat dan wel?

Ik wil dit seizoen graag met jullie nadenken over onze roeping. Waartoe zijn we geroepen als christelijke gemeenschap in Oost? Als we daar met elkaar een antwoord op vinden, kunnen we ook antwoord vinden op de vraag waartoe we niet geroepen zijn. Leven met God is een leven richting de toekomst. We mogen loslaten wat te zwaar is en met een lichte bagage op weg gaan. Op je slippers, zoals de discipelen van Jezus. Op weg met vertrouwen, zoals Abraham. Geraakt door God, zoals Jesaja.

Dit is de focus die ik zoek in de kringen (Wijze Woensdagen), preken en gesprekken in het komende seizoen. Ik hoop dat de focus op onze roeping ons zal inspireren én de moed zal geven om los te laten wat te zwaar is om op weg te kunnen gaan.

Een achtste dag

Ik heb de gewoonte net iets veel te willen doen op één dag. Ik wil mijn e-mails lezen, mijn huishouden doen, iedereen spreken die ik nog moet spreken, hardlopen, koken, studeren en bidden. En natuurlijk even in de zon zitten tijdens een pauze, effe shoppen en dan weer werken aan mijn preek.

Vrijwel elke dag vraag ik me af waarom ik het gevoel heb dat er te weinig tijd is. Als ik een extra dag zou hebben, zou het dan allemaal misschien wel lukken? Terwijl ik naar de volgende afspraak sjees, hoor ik het mezelf zeggen: ‘Ik heb gewoon een achtste dag nodig’.

Een achtste dag voor de restjes van mijn to do list. Je weet wel, dat restje onderaan je lijstje dat je nooit krijgt afgevinkt. Het zijn de dingen die langzaam van het lijstje verdwijnen. Een kaartje sturen naar die ene tante. Op bezoek gaan bij die mevrouw die dat zo gezellig vindt. Eén extra dag in de week. Zou dát de stress en de haast wegnemen?

Volgens de Bijbel is zes dagen werken genoeg. God rustte op de zevende dag. God had zijn werk voltooid, zo staat er in Genesis. Tijd om te rusten. God verklaarde de sabbath heilig – het is zoiets als een streep in je agenda: nu is het tijd voor iets anders. Het heiligen van de zondag gaat dus over time management. Welke tijd is heilig voor jou? Hoeveel tijd zet je apart om uit te rusten, om God te zoeken of met je kind te spelen?

Maar het ritme dat het scheppingsverhaal wil aanbrengen is in onze 24-uurseconomie zo goed als verdwenen. Het lijkt wel alsof we niet meer zo gemakkelijk een ritme vinden waarin we werken, bidden en rusten. Het avondgebed om 19:30 uur lijkt bijna niet in te passen in de ritmes van ons leven. De grenzeloosheid van onze bereikbaarheid, maar ook de grenzeloosheid van kracht van de economie maken het moeilijk om een natuurlijk ritme te vinden van werken, bidden en rusten. We zijn voortdurend bereikbaar en we kunnen voortdurend naar de Albert Heijn. Maar wat is het ritme waarin we echt tot rust komen en tegelijkertijd tevreden zijn met wat we hebben gedaan?

Ik denk dat het scheppingsverhaal ons wil uitleggen dat we zijn geschapen met een behoefte aan heilige tijd. Er zijn grenzen in onze tijd, er zit een grens aan onze energie.

We denken er als kernraad serieus over na om in het volgende seizoen een periode van bezinning te plannen. Niet om achterover te leunen en te stoppen, maar om de tijd die we hebben te ‘heiligen’. En om tijd te nemen om actief te zoeken naar God; om met elkaar te zoeken naar een ritme dat past bij onze gemeenschap. Het juiste ritme waarin we bidden en werken, spelen en zingen, geven én ontvangen. Mocht je deze zomer ideeën hebben over hoe dat kan; ik hoor het graag!  

Maar eerst de zomer. Tijd voor rust en afstand. Geniet van de rust, de warmte van de zon en de aandacht die de zomer brengt.

Ik heb de gewoonte net iets veel te willen doen op één dag. Ik wil mijn e-mails lezen, mijn huishouden doen, iedereen spreken die ik nog moet spreken, hardlopen, koken, studeren en bidden. En natuurlijk even in de zon zitten tijdens een pauze, effe shoppen en dan weer werken aan mijn preek.

Vrijwel elke dag vraag ik me af waarom ik het gevoel heb dat er te weinig tijd is. Als ik een extra dag zou hebben, zou het dan allemaal misschien wel lukken? Terwijl ik naar de volgende afspraak sjees, hoor ik het mezelf zeggen: ‘Ik heb gewoon een achtste dag nodig’.

Een achtste dag voor de restjes van mijn to do list. Je weet wel, dat restje onderaan je lijstje dat je nooit krijgt afgevinkt. Het zijn de dingen die langzaam van het lijstje verdwijnen. Een kaartje sturen naar die ene tante. Op bezoek gaan bij die mevrouw die dat zo gezellig vindt. Eén extra dag in de week. Zou dát de stress en de haast wegnemen?

Volgens de Bijbel is zes dagen werken genoeg. God rustte op de zevende dag. God had zijn werk voltooid, zo staat er in Genesis. Tijd om te rusten. God verklaarde de sabbath heilig – het is zoiets als een streep in je agenda: nu is het tijd voor iets anders. Het heiligen van de zondag gaat dus over time management. Welke tijd is heilig voor jou? Hoeveel tijd zet je apart om uit te rusten, om God te zoeken of met je kind te spelen?

Maar het ritme dat het scheppingsverhaal wil aanbrengen is in onze 24-uurseconomie zo goed als verdwenen. Het lijkt wel alsof we niet meer zo gemakkelijk een ritme vinden waarin we werken, bidden en rusten. Het avondgebed om 19:30 uur lijkt bijna niet in te passen in de ritmes van ons leven. De grenzeloosheid van onze bereikbaarheid, maar ook de grenzeloosheid van kracht van de economie maken het moeilijk om een natuurlijk ritme te vinden van werken, bidden en rusten. We zijn voortdurend bereikbaar en we kunnen voortdurend naar de Albert Heijn. Maar wat is het ritme waarin we echt tot rust komen en tegelijkertijd tevreden zijn met wat we hebben gedaan?

Ik denk dat het scheppingsverhaal ons wil uitleggen dat we zijn geschapen met een behoefte aan heilige tijd. Er zijn grenzen in onze tijd, er zit een grens aan onze energie.

We denken er als kernraad serieus over na om in het volgende seizoen een periode van bezinning te plannen. Niet om achterover te leunen en te stoppen, maar om de tijd die we hebben te ‘heiligen’. En om tijd te nemen om actief te zoeken naar God; om met elkaar te zoeken naar een ritme dat past bij onze gemeenschap. Het juiste ritme waarin we bidden en werken, spelen en zingen, geven én ontvangen. Mocht je deze zomer ideeën hebben over hoe dat kan; ik hoor het graag!  

Maar eerst de zomer. Tijd voor rust en afstand. Geniet van de rust, de warmte van de zon en de aandacht die de zomer brengt.

Blue Monday

In de laatste volle week van januari zijn de meeste mensen ongelukkig. Je hebt je net voorgenomen om af te vallen, te stoppen met roken of te sparen. Maar het is niet gelukt. Je hebt je voorgenomen nu echt een nieuwe baan te vinden, maar de eerste afwijzingen zijn al weer binnen. Je geld nadert ondertussen het eind van deze eindeloos saaie, donkere maand. En last but not least, het duurt nog héél lang voor je weer een keer vakantie hebt.
‘Blue Monday – ik zal echt nooit aan jou gaan wennen’, zingt Daniël Lohues.

Nou. Ik denk dat we er allang aan gewend zijn. Die bozige dagen dat je baalt van jezelf. ‘Als ik wat meer ga hardlopen, dan voel ik me beter’. En elke keer dat je toch niet gaat omdat het regent, ben je boos op jezelf. We zijn langzaam maar zeker gewend geraakt aan een cultuur waarin je zelf verantwoordelijk bent voor je eigen geluk. Als je niet gelukkig bent, kun je er zelf wat aan doen. ‘Neem regie over je eigen leven’ – het klinkt aannemelijk, deze geloofsbelijdenis van onze tijd. Life is yours.

In de maand januari lezen we in de kerk de eerste verhalen over het optreden van Jezus waarin we zien dat Hij écht de Zoon van God is. Kort na de doop van Jezus, wordt Hij de woestijn ingestuurd. Ik vind dit een van de meest fascinerende verhalen uit het leven van Jezus. De verzoekingen van de duivel – Jezus had 40 hele lange blauwe maandagen. En de duivel stelt precies de vragen die ik mezelf stel op zo’n grijze dag dat ik de balen heb van alles wat me niet lukt. ‘Als je maandag wat eerder je bed uit was gekomen, dan had je nu genoeg tijd gehad om alles op tijd in te leveren voor het Eltheto Bulletin’.

In het verhaal van Jezus in de woestijn zegt de duivel het ongeveer zo: ‘Als God zo’n goede God is, dan zou die toch zorgen voor brood? En toch zeker voor Zijn geliefde Zoon in de woestijn? Sterker nog, een beetje goede God zorgt voor wat minder oorlog en een beetje rechtvaardige wereld! Als ik God zou zijn, dan wist ik het wel. Een goede God maakt haast met dat Koninkrijk, toch? Misschien moet je zelf de regie nemen, beste Jezus!’
Maar Jezus luistert naar een andere stem. Niet de stem die je verleidt met de illusie dat je over alles controle kan hebben. Niet de stem die zegt dat macht en geld de oplossing is richting een gelukkig leven. Jezus luistert naar de stem die tegen hem zei: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon’. En met die stem hield Hij het 40 blauwe maandagen uit in de woestijn.

Dat zet je toch aan het denken. Wat als deze God van ons de regie krijgt?

Het geschiedde in die dagen…

Afgelopen week bezocht ik een oudere vrouw die deze zin meteen afmaakte. Het is de eerste zin van het kerstverhaal zoals Lukas het verteld. De eerste zin over dat bevel van keizer Augustus die een volkstelling wilde.

Meteen zie je het verhaal voor je: Jozef en Maria. Zij, zwanger op een ezel; hij, de ezel aan de hand. Samen op weg naar Betlehem, de stad waar zij zich moesten melden. De stad van David – hun voorvader. De meesten van ons kunnen het verhaal moeiteloos verder vertellen, zoals die mevrouw die ik sprak. En dan zien we het plaatje van de kerststal. Met een blinkende ster, een paar ruige herders en wat exotische koningen.

Het geschiedde in die dagen…

Maar wat gebeurde er eigenlijk precies, daar in Betlehem? En wat betekent dit verhaal in de kerstdagen van 2015?

Een Duitse supermarkt zendt dit jaar een opvallend reclamespotje uit voor kerst. We zien een oude man. Hij ziet zijn kinderen amper, omdat ze ontzettend druk zijn met hun werk en hun gezin. Met kerst zit hij alleen aan tafel. Hij heeft de berichtjes op zijn antwoordapparaat afgeluisterd waarop zijn kinderen zich afmelden. Hij besluit om zijn kinderen een rouwkaart te sturen, waarop hij zijn eigen overlijden aankondigt. Als ze allemaal thuis komen om afscheid te nemen, staat er een gedekte tafel. Papa blijkt helemaal niet dood en hij nodigt hen uit aan tafel. Dit was de enige manier om ze allemaal thuis te krijgen.

Het spotje is nogal heftig, zeker als je je realiseert dat het een supermarktketen is die dit heeft geproduceerd. Onze grutters doen immers uitstekende zaken tijdens de kerst. De open zenuw die ze raken (of gebruiken) is het schuldgevoel dat velen van ons hebben, omdat we niet genoeg tijd en ruimte hebben voor elkaar. De verbazing dat een man zijn eigen dood in scène moet zetten om zijn familie te zien raakt aan onze nachtmerrie. Zeker in een grote stad, waar het geen fictie is dat mensen alleen sterven. Dat gebeurt in onze dagen, in onze buurt.

In het spotje is de verbazing van de kinderen die hun vader in levenden lijve ontmoeten natuurlijk enorm. Maar als de schok verdwijnt, is het feest. Zo ziet de verbazing eruit als er iets gebeurt dat onmogelijk lijkt, maar beter is dan je had durven dromen. Ik denk niet dat kerst gaat over schuldgevoelens of familieverplichtingen. Maar wél over deze verbazing en verwondering. Omdat er iets onmogelijks gebeurt wat beter is dan je had dúrven dromen.

Het geschiedde in die dagen…

Kom en verwonder je over wat er is gebeurd in Betlehem, in die dagen dat keizer Augustus een bevel deed uitgaan. Kom en verwonder je over wat er kan gebeuren in de dagen van kerst in 2015. Tijdens een diner, tijdens een kerkdienst, in een verloren moment van stilte, in een gesprek waar ineens tijd voor is. Misschien wordt deze kerst wel beter dan je durft te hopen – omdat de hemel opengaat.

Laat je verbazen en verwonder je over hoe God onder ons verschijnt.

Ongemakkelijk

Ik voel iets ongemakkelijks. Al een tijdje speelt het op. Elke keer als ik iets hoor over een boot vluchtelingen op de Middellandse Zee. Een boot, met mensen die het nét wel of nét niet redden. Maar deze afgelopen week kroop het ongemakkelijke gevoel meer dan ooit onder mijn huid. Net thuis van vakantie in Macedonië zie ik de beelden, afkomstig uit mijn vakantieoord, waarin de politie de vluchtelingen met traangas verdrijft. Toen ik er was, ontmoette ik er alleen maar vriendelijkheid en die typische verlegenheid van mensen die de alleen hun eigen taal spreken, waarvan wij toeristen natuurlijk niks verstonden. En nu zie ik de paniek in de ogen van de Macedoniërs. Paniek en angst, niet zo gek als je zelf maar net overeind weet te blijven in een arm en corrupt land. Maar mijn ongemakkelijke gevoel wordt ondertussen alleen maar sterker.

Deze week: een vrachtwagen vol mensen die gestikt zijn. De rillingen lopen over mijn rug. Ik zucht. Ik weet het niet. Ik wil Angela Merkel bellen en zeggen dat ik het met haar eens ben. Of zoiets.

Dan gaat mijn telefoon. Aan de lijn is niet Angela Markel, maar Mohammed. Hij kwam ineens onze kerk binnen, al weer een tijd geleden. Ik heb niet zoveel contact met hem. Maar namen van mensen die ik doop vergeet ik niet zo snel. Deze week probeerde ik met hem af te spreken. Hij woont in Rotterdam, daar kom ik tegenwoordig ook wel eens. Ik dacht natuurlijk ook aan hem, door de beelden van die bange mensen op de spoorlijn richting Europa. Hij heeft er ooit ook gestaan, als vluchteling, dwalend richting Europa. Want in Afghanistan maakte hij andere keuzes dan de keuzes die wenselijk zijn in de ogen van Taliban. Maar nu gaat het goed met hem. Zijn Nederlands was een stuk beter, hij heeft rijles en een baan. Te weinig tijd om af te spreken, druk druk druk. Het gaat wel goed met die integratie als je het mij vraagt. “Doe groeten aan iedereen en hoe gaat het met mevrouw Liesbeth?”

Iets van het ongemakkelijke gevoel was weg na dit telefoontje. Maar één blik op nu.nl of de krant, en het is weer helemaal terug. ‘De exodus van vluchtelingen kost opnieuw levens’,  zo kopte de krant. Het schuurt dat we ons zo weinig raad weten met al die mensen die moeten vluchten.

Week in, week uit, lezen wij in de kerk de verhalen van het volk Israël. Hun uittocht naar een beloofd land lijkt een sprookjesachtig tafereel in vergelijking met de gruwelijkheid van de beelden die wij zien. Maar als je goed leest, was er toen ook paniek en angst in de ogen van de vreemdelingen die zij tegenkwamen. De onzekerheid en de weerstand brak de Israëlieten zelf voortdurend op. En toen ze eenmaal in het beloofde land kwamen, bleek het land niet leeg te zijn.

En toch, ze gingen op weg om hun kinderen in vrijheid te laten opgroeien. Op weg naar een land waar vrede is, naar een land waar de vrede van God te vinden is. Want echt mens zijn, dat kan toch alleen als er vrede woont in de huizen en de harten.

Wij zijn niet op uittocht. Wij wonen in het land dat precies het beloofde land is. Het ‘paradijselijke’ West-Europa, zelfs als het als een valse belofte komt van de boeven die mensen smokkelen.

Vaak verplaatsen we ons bij het Exodusverhaal van het volk Israël in de positie van het volk dat op zoek is naar dat beloofde land. Maar in onze tijd hoor ik niet bij de mensen in hun exodus. De komst van al deze vluchtelingen draait de rollen om. Ik wóón al in het beloofde land. Dat heeft zelden zo ongemakkelijk gevoeld.